Je bent gek! Een beetje andermans rommel opruimen…

Je hebt vijf gezonde, keurige kinderen, een baan, een huis. Alles voor elkaar. En dan besluit je om het verwaarloosde dochtertje van een ander op te voeden. Jan en Arja leggen uit.

Jaiden is een kindje dat vanwege een probleemsituatie wordt opgevangen door Jan en Arja. Negen jaar geleden kozen ze ervoor om, naast hun eigen vijf kinderen, pleegkinderen in huis op te nemen. Sanne kwam als kleintje van veertien maanden, een verwaarloosde baby. Na Sanne zijn er inmiddels 31 baby’s en peuters voor kortere of langere tijd door de familie in huis opgenomen. Jaiden kwam negen maanden geleden, tot er een permanent pleeggezin zou zijn gevonden. Maar hij is inmiddels zijn babybedje ontgroeid.

"We kwamen op het idee, doordat we bij een lezing een pleegvader enthousiast hoorden vertellen over hun keus voor het pleegouderschap. Op dat moment waren we er nog niet aan toe, want we hadden zelf nog kleine kinderen. Maar toen onze jongste dochter op school zat, dacht ik wel: ja, nu zou ik het wel leuk vinden, een kleintje erbij."

Apatisch

Arja en Jan gaven zich op als pleegouders voor kindjes tot twee jaar oud. Ze volgden een cursus, ontmoetten andere pleegouders en kregen binnen een paar maanden Sanne. “Sanne was een extreem dikke baby. Ze had wel eten gekregen, maar was totaal apathisch. Ze deed niks, reageerde niet, huilde zelfs niet en was alleen maar heel bang voor ons. Het was een lang proces om haar vertrouwen te winnen. Bijzonder om haar eindelijk te kunnen knuffelen en oogcontact te kunnen maken,” vertelt Arja.

Arja is duidelijk een moeder in hart en nieren. Maar is het niet wat raar om zoveel moeite te doen voor andermans kind? “Zo voelt dat helemaal niet. Natuurlijk is er geen bloedband, maar als er wat is, dan voelt het als je eigen kind hoor!” Haar man vult aan: “Je hebt soms zelfs meer zorg voor zo’n meisje dan voor je eigen kinderen. We zijn bezorgder, omdat we weten dat ze de veilige basis niet heeft gekregen. Je gunt elk kind een veilig thuis. Het is bijzonder als je dat kunt bieden en mag zien hoe een kindje opbloeit bij gezonde liefde en aandacht.”

Noodbed

Toen Sanne iets ouder werd, besloten Jan en Arja zich ook aan te melden voor ‘noodbed’. “Dat betekent dat de jeugdzorg je kan bellen om binnen een uur een kindje op te vangen. Meestal blijft dat kindje maar voor een paar uur, hooguit een paar dagen. Je bent de tussenstap tussen de uithuisplaatsing en een pleeggezin.” Dat bleek best spannend te zijn. Soms werden Jan en Arja gebeld en kwam het kindje toch niet. Dan was wel het hele gezin in rep en roer. “We werden ook wel eens midden in de nacht gebeld. Natuurlijk waren alle kinderen dan wakker en benieuwd naar het kindje.”

Pa en ma Van der Spek vinden het belangrijk dat de eigen kinderen achter hun keuze stonden om pleegouder te worden. Arja: “We hebben met de kinderen besproken wat het inhoudt om een pleegzusje of –broertje te krijgen. We wilden dit alleen doen als alle kinderen er achter stonden. Ook toen we besloten om voor Sanne, die we als gevolg van een crisissituatie kregen, te blijven zorgen.” Het bleek geen vraag of de andere kinderen daar achter stonden. Ze hoorde zo bij het gezin, ze voelde voor iedereen als een eigen zusje. Natuurlijk wilden ze dat Sanne bleef. “Onze dochters vonden het altijd geweldig als er tijdelijk een pleegkindje kwam. Onze oudste zoon begreep in het begin onze keuze niet helemaal. ‘Waarom?’ zei hij. ‘Je haalt de narigheid van een ander op je nek.’ Maar hij vindt het nu geweldig wat we doen.” Jan: “Je doet het met elkaar. Je gezin moet het echt met je eens zijn. En je weet natuurlijk aan het begin helemaal niet waar je aan begint. Als ouders niet, maar ook niet als gezin. Het werd veel complexer dan we hadden verwacht. Het gedoe met alle instanties, voogden en biologische ouders kan wel eens vermoeiend zijn. Maar al met al blijkt het voor ons gezin vooral een verrijking te zijn.”

Erkenning

Over de lastige kanten van het pleegouderschap zijn Jan en Arja ook heel open. De liefde voor Jaiden blijkt in de manier hoe ze met hem omgaan. Maar liefde alleen voor de kinderen is niet genoeg, vertellen ze. “Je krijgt niet alleen een kindje bij je gezin, het is ook een kind van een ander. Het contact met de biologische ouders kan lastig zijn. De moeder van Sanne was in het begin heel boos. Vooral op de jeugdzorg, maar met die gevoelens moet je als pleegouder om kunnen gaan.

Sanne’s moeder legde er in het contact met mij als pleegmoeder vaak de nadruk op dat zij de moeder is en niet ik. Ik reageerde dan met: ‘dat klopt, jij bent haar moeder en ik zorg voor haar.’ Het is belangrijk dat je de plek van de biologische ouder erkent. Je kunt de plek van biologische ouders niet innemen.” Jan glimlacht. Arja en hij laten zich wel papa en mama noemen door de pleegkinderen. “Dat gaat vanzelf. De eigen kinderen zeggen papa en mama, en de kindertjes leren hier vaak praten. Dan nemen ze dat gewoon over. Richting de biologische moeder is het wel zo respectvol om die ook mama te noemen. Sanne heeft ‘mama Arja’ en ‘mama Jennifer’."

"Ik heb lekker twee moeders. En ik ben het pleegkindje, dus ik word extra verwend!"

Geen oordeel

Bij Sanne van tien is het hebben van twee moeders vooral een voordeel. Arja: “Ze zegt wel eens tegen de jongens: ‘Ik heb lekker twee moeders. En ik ben het pleegkindje, dus ik word extra verwend!’ Gelukkig gaan mijn zoons daar goed mee om. Ze zeggen dan bijvoorbeeld: ‘nou, waren wij maar een pleegkind – dan hadden wij dat ook!’ Sanne neemt nu genoegen met de verklaring dat haar eigen moeder niet voor haar kan zorgen.” Volgens Jan scheelt het dat ze dat zelf ook op die manier zien. “Het is niet aan ons om ouders te veroordelen, hoe slecht ze hun kind ook hebben behandeld. Ze hebben zelf vaak ook hele nare dingen meegemaakt, zijn slecht opgevoed of verslaafd aan van alles. Dat had ons ook kunnen overkomen. Ik ben ambulancebroeder en dan leer je wel dat de meeste daders van ellende zelf ook slachtoffer zijn.”

Gek

Niet alleen het contact met biologische ouders kan een uitdaging zijn. Ook het afscheid nemen van kindjes valt vaak zwaar. “Je gaat toch van zo’n kindje houden. Het is altijd weer lastig. Loslaten is moeilijk. Ook omdat je zo graag wilt dat het verder goed blijft gaan met zo’n kleintje. Toen we dat deelden met andere pleegouders zei iemand eens: het is net als het Bijbelverhaal van de ‘barmhartige Samaritaan’. Die man helpt een gewonde man door hem mee te nemen en medische zorg voor hem te betalen. Maar hij vervolgt wel zijn reis. Je moet ook leren loslaten als je jouw deel hebt gedaan. En als je dan zo’n klein mannetje of meisje wegbrengt, kun je ook bedenken: we hebben hem of haar toch weer een stukje veilige basis meegegeven. En dat is zo belangrijk!”

Vooral vanwege de pijn van het loslaten, verklaren anderen Jan en Arja wel eens voor gek. Jan: “Ja, het komt wel eens voor dat een ander tegen je zegt: je bent gek, een beetje andermans rommel opruimen. Of ze kijken juist tegen je op. Dan zeggen ze: ‘nou, dat kan ik niet hoor, dat je zo’n kindje weer moet laten gaan.’ We zijn niet gek, want het is prachtig om op deze manier een ander te helpen. En niemand kan dat echt, kinderen loslaten waar je van bent gaan houden. Maar een gezin is flexibel. En als je samen bent, ben je heel sterk.”

Dit artikel verscheen in Strijdkreet, nr. 2 2015
Tekst: Willemijn de Jong