Geschiedenis korps Almelo

Bloed en Vuur in Almelo Heilsleger kent roerige start   Het Leger des Heils strijkt in april 1891 in Almelo neer in een klein zaaltje naast het logement van Hendriks aan het Kanaal. Dit is een bescheiden relaas over het onstuimige begin van dat Almelose Legerkorps: het gaat over gedonder in de glazen, relletjes, boze kroegbazen en religieuze argusogen. De onverzettelijkheid van de heilssoldaten en boven alles de welgemeende en welkome hulp aan nooddruftige burgers doen het tij keren. Het Leger des Heils gaat waar het gevraagd wordt, om nood en ellende te bestrijden. Dat is nu en dat was aan het eind van de negentiende eeuw niet anders. We schrijven de barre winter van 1890 op 1891. De eeuw loopt ook in Almelo zoetjesaan op zijn eind en het is in zeker opzicht een opperbest centennium geweest voor de Aastad. De textiel nam een hoge vlucht en er was expansie in velerlei opzichten. Ga maar na: in 1830 telden Stad en Ambt Almelo samen 5115 zielen. Dit getal was in 1870 al opgelopen tot 10.171 en bij de eeuwwende noteren Stad en Ambt samen 17.648 ingezetenen. Toch is het ook in 1891 beslist niet alles goud wat er blinkt. Het welslagen van de Twentse textiel kent namelijk een bittere schaduwzijde in vele verbeten conflicten over lonen en arbeidsomstandigheden. Die onrust is er niet voor niets, want er valt in de stad op het maatschappelijke en sociale vlak bijzonder veel nood te lenigen: de Almelose samenleving kent in Gods jaar 1891 vele open wonden.  

Als de nieuwbakken lokale bevelhebber de zaken in zijn nieuwe standplaats in ogenschouw neemt, dan is er in ieder geval een lokaal met banken voorhanden. De openingsofficier kan bovendien rekenen op de betrokken hulp van een groepje mensen dat zich al ingespannen heeft om in die plaats een Legervestiging te krijgen. Verder beschikt hij over enig handgeld voor de zaalhuur en de eerste kosten van levensonderhoud. Begin 1891 moeten ze de reis naar Twentse contreien gemaakt hebben: kapitein Johannes W. de Groot en luitenant Broekhuizen. Zij worden tot de eerste officieren van het nieuwe korps aangesteld en ze laten er geen gras over groeien, want ‘op den 2 den April 1891’ leidt De Groot de openingsdienst in een klein zaaltje naast het logement van Hendriks aan het Kanaal. Dat Almelose debuut trekt in onze stad zeker de aandacht van de bevolking en dus pent het journaille, zoals te lezen valt in het Twents Zondagsblad (verder: TZ4) van 26 april 1891:   ‘Leger des Heils. De oefeningen van deze sekte schijnen bizonder de aandacht van het publiek te trekken. J. L. maandagavond was het in het lokaal der oefeningen zóó propvol menschen dat in het luikgat, dat zich in den zolder van het lokaal bevindt, de hoofden der verheven toehoorders drie diep zichtbaar waren.’     Bovenal geldt echter: geen woorden maar daden. Het Leger lenigt metterdaad door het zogeheten reddings- en achterbuurtwerk grote noden voor de talrijke armoedige gezinnen die Almelo aan het eind van de negentiende eeuw nog kent - en dat blijft niet onopgemerkt. Dat geldt evenmin voor het onbaatzuchtige werk van het Heilsleger in heel Nederland voor wie buiten de boot valt, zoals gevangenen, gevallen vrouwen en verslaafden. Dat maatschappelijk werk is voor het Leger een middel om tot een hoger doel te geraken, maar het zorgt er ook voor dat men gaandeweg de harten van de Almelose bevolking wint. Zo krijgt het Leger des Heils dus voet aan de grond in Almelo. Soms zijn er nog wel eens echo’s uit het roerige verleden; het gekrakeel rond de verhuizing naar de zaal in de Boompjes in 1908 is er een fraai exempel van. Boven dat gedruis uit jubelen echter de betoverende klanken van de zo karakteristieke brassmuziek.     Opgemaakt door Nico Leonard van der Woude Meer informatie kunt u vinden op de webpagina: