Het verhaal van Joop

'Soms zie ik iemand lopen die op hem lijkt, met kistjes en lang haar.'

Leesduur: +/- 5 minuten

Joop (72) is vrijwilliger bij Domus de Hoek, een locatie van het Leger des Heils Midden-Nederland. Hij is al op leeftijd maar weigert achter de geraniums te blijven zitten. Met glinsterende ogen begint hij te vertellen: ‘Ik breng bewoners naar het ziekenhuis, de winkel of naar een andere afspraak’. Maar naast zijn werk bij het Leger des Heils zit Joop niet stil. ‘In Overvecht rijd ik oudere mensen rond in golfkarretjes en ik doe ook vrijwilligerswerk in een bioscoop in de stad’.

Hij vertelt dat hij na zijn werk als studentendecaan met pensioen ging en dacht: wat heb ik nou toch gedaan. Terug in het onderwijs begint zijn lichaam tegen te stribbelen en vorig jaar onderging hij een hartoperatie. ‘Maar..’ voegt hij hieraan toe ‘ik wilde iets nuttigs blijven doen en ik miste de mensen. ‘Mensen vervoeren, daar heb ik wel wat mee. Ik ben zelfs ooit een half jaar buschauffeur geweest’.  

'Als je niets meer voor anderen kunt doen, dan stopt het leven eigenlijk een beetje'

Joop voelt zich betrokken bij de bewoners. ‘Sinds kort zit ik in een groepsapp. Op die manier blijf ik op de hoogte van wat er speelt. Eerst wist ik dat niet, maar ik zit wel bij die mensen in de auto. Als er heftige dingen zijn gebeurd dan wil ik dit weten: iemand draagt dit bij zich tijdens de rit’. Zijn verlangen om mensen te helpen komt van diep. ‘Als je niets meer voor anderen kunt doen, dan stopt het leven eigenlijk een beetje. Zo voel ik dat.’

Later voegt Joop hieraan toe dat hij geen contact meer heeft met zijn zoon. ‘Vandaag reed ik Mo, een van de bewoners van de Hoek, naar een afspraak. Hij vroeg me naar mijn zoon. Ik vertelde Mo dat ik hem niet meer spreek. Wat ik niet verteld heb is dat het feit dat mijn zoon en ik geen contact meer hebben, een van mijn drijfveren is. Ik heb altijd gehoopt dat hij iemand tegenkomt waarvan hij wél hulp toelaat.’ Joop denkt dat zijn zoon geen eenvoudig bestaan heeft. Hij wil zijn vader niet in zijn leven omdat dit hem benauwd maakt. ‘Ik ben niet boos op hem. Ik hoop dat hij iemand tegenkomt die hem bemoedigd en zegt: kom op jongen.’

Dat Joop zijn zoon niet ziet, raakt hem wel. ‘Ik ben hier weleens verdrietig om. Soms zie ik iemand lopen die op hem lijkt, met kistjes en lang haar. Ooit keek ik een film waarin iemand speelde die sprekend op hem leek. In dat soort situaties vind ik het moeilijk en soms huil ik dan.’ Ondanks het verdriet gaat Joop niet bij de pakken neerzitten. ‘Een slachtoffer voel ik me niet: als ik zo’n instelling heb, belast ik hem hier alleen maar mee. Mensen helpen zoals ik nu doe, dát geeft me kracht.’

Vol enthousiasme vertelt Joop over het personeel bij de Hoek waarvoor hij grote bewondering heeft. ‘Vaak zijn dit nog jonge mensen met passie, humor en toch stevigheid. Als je bij de Hoek werkt moet je echt sterk in je schoenen staan.’ Joop is zelf niet gelovig maar heeft wel een christelijke opvoeding gehad. Een negatief woord komt niet over zijn lippen, integendeel: ‘Misschien klinkt het raar, maar als het geloof uit zou sterven, moet het weer opnieuw worden uitgevonden. Het Leger des Heils helpt met deze instelling namelijk mensen aan de onderkant van de samenleving: dat vind ik fantastisch!’.

Een moment waarop Joop denkt nu stop ik ermee, dat ziet hij niet zo snel gebeuren. ‘Nou, misschien als ik dement word of in een rolstoel terecht kom. Alhoewel, dan kom ik gewoon in mijn rolstoel hierheen’, lacht hij. ‘Als ze me weg willen hebben, dan moet ik wel. Maar tot die tijd zit ik hier goed.’