‘Als ik moet kiezen tussen de straat of de Domus, ben ik toch blij dat ik hier woon.’ Nog steeds begrijpt Harold niet goed waarom hij drie jaar geleden door de woningbouwvereniging op straat werd gezet. ‘Er kwam wel eens iemand langs; gebruiken doe je niet alleen. Maar andere mensen krijgen toch ook bezoek?’ Geen enkele buurman had ooit bij hem geklaagd. Harold schudt zijn hoofd. ‘De woningbouw weet toch dat je drugsverslaafden geen huis moet geven in een arbeiderswijk met gezinnen?’

Machteloos voelt Harold zich die eerste nacht op een bankje. ‘Verschrikkelijk, iemand van mijn leeftijd op straat.’ Harold heeft een goede relatie met zijn zus, maar familie om hulp vragen wil hij niet. Hij vindt dat hij zichzelf moet kunnen redden. ‘Kom maar bij mij, zeiden verschillende kennissen. Dat is het positieve van gebruikers: we helpen elkaar.’ Na een paar weken logeren klopt hij toch aan bij het Leger.

Al eerder zat Harold in de rats. Sinds zijn geboorte in Suriname heeft hij de Nederlandse nationaliteit, Suriname was toen immers onderdeel van Nederland. Tijdens een verblijf in Suriname werd zijn paspoort afgenomen, waardoor hij nergens meer recht op had. Geen woning, geen werk, geen uitkering. Harolds voorspelling kwam uit: zijn reisdocument werd gebruikt voor het smokkelen van harddrugs. ‘Ik had een alibi: op dat moment zat ik in de bak.’ De tijd van winkeldiefstallen heeft hij achter zich gelaten. Harold kan leven met zijn verslaving. ‘Voordat ik op bezoek ga bij familie, gebruik ik dagen niet. Ik wil er goed uitzien.’ Van zijn heroïnegebruik heeft hij geen spijt. ‘In veertig jaar tijd ben ik nooit ziek geweest.’

Inmiddels heeft Harold zijn eigen appartement in de Domus. Persoonlijk begeleider Myrthe helpt met praktische zaken en laat hem kritisch naar zijn eigen gedrag kijken. ‘Zelfreflectie lukt steeds beter. Je moet straks toch zelfstandig in een wijk wonen.’ Myrthe gunt hem alle geluk. Harold glundert. ‘Als ik op mezelf woon, kan ik mijn familie weer uitnodigen. Ik ben zó trots op mijn kleindochter en kleinzoon, tien en zes zijn ze. Ik ga Surinaams voor ze koken. Daar kijk ik echt naar uit.’

Dit verhaal verscheen in magazine Kans.