Sanne: “Op mijn achtste werd ik uit huis geplaatst. Mijn ex-stiefvader mishandelde mij en mijn moeder heeft me ook wel een paar keer geslagen. Voor mij kwam het super onverwachts. Mijn broertjes bleven wel thuis wonen. Dat heb ik nooit begrepen, waarom ik de enige ben die uit huis is geplaatst. Ik dacht, ik ga gewoon terug na 28 dagen.”

Hysterisch
Sanne heeft het wel naar haar zin op de crisisgroep. “Ik miste mijn moeder heel erg. Niet dat ik elke dag ging huilen of zo. Doordat ze vaak lang werkte, was ik al gewend om haar niet 24/7 te zien. Ik deed ook niet hysterisch, want ik dacht, ik ga gewoon terug. Maar dat was dus niet zo.
Op de groep waren veel leeftijdsgenoten. Dat was echt supergezellig. Zo’n groep is alleen geen vervanging voor een gezin. Als je iedere dag nieuwe mensen ziet die zeggen ‘smeer je boterham’, dat is toch gek. Ik denk dat een kind niet stabiel wordt als het lange tijd daar zit. Elk kind heeft ouders nodig, toch? In ieder geval eentje!”
Na een half jaar verhuist Sanne naar een gezinshuis van het Leger des Heils. “Omdat het huis vlak om de hoek was, kon ik letterlijk met mijn spulletjes door de tuin sjouwen. Verder bleef alles hetzelfde. In het begin was het wel wennen. Ik ben helemaal niet van de regels. In het gezinshuis waren die best streng. Bijvoorbeeld over schermtijd, na vijf uur mocht je op de computer en pas een telefoon als je naar de middelbare ging. Maar vergeleken met andere gezinshuizen was het weer minder streng.
De eerste zomervakantie gingen we ook op vakantie naar Luxemburg op mijn verjaardag. Ik voelde me meer thuis dan in de groep. Er is altijd iemand, dat geeft gezelligheid. Het voelde wel alsof we een soort gezin waren, maar het is ook wel lastig want je hebt natuurlijk ook gewoon je eigen ouders.
In de weekenden was het wel complicated, iedereen leidde een ander leven. Je gaat naar je ouders of naar de weekendouders. Bij mijn weekendouders waren er amper regels, heel chill. Maar je moet steeds een beetje schakelen wat betreft de regels. Dat is lastig. Met de tijd ging dat wel steeds beter.  

Zielig
Op school heb ik nooit verteld dat ik uit huis ben geplaatst, want dan word je anders behandeld. Ik wil niet meer aandacht krijgen of zielig gevonden worden. Natuurlijk heb ik het wel aan vriendinnen verteld, maar die hielden hun mond. Het is nooit iemand opgevallen.
Je leert in een gezinshuis ook omgaan met drukte. En met ADHD en autisme. Een pleegbroertje waarmee ik acht jaar woonde, had dat. Vroeger huilde ik veel om de kleinste dingen, maar nu nooit meer. Ik heb op therapie gezeten omdat ik bindingsangst had. Daar ben ik ook vanaf gekomen. Ondanks dat ik zelfstandig ben, wil ik wel adviezen van anderen. Bijvoorbeeld van mijn gezinshuisouders, mijn moeder of van mijn weekendouders, want ik wil het niet allemaal zelf doen.”  

Goed
Sanne heeft dit jaar de havo succesvol afgerond. Nu wil ze het vwo doen, zodat ze daarna naar de universiteit kan. Sinds juni heeft ze haar eigen appartementje. “Nog nooit heeft iemand zo’n kans gekregen om zoals ik hier te wonen. Ik ontbijt in het gezinshuis en ik eet ’s avonds ook mee. Verder zijn er wat basisregels: ik moet niet te laat thuis zijn, ik moest eens per week schoonmaken.
Wat het gezinshuis voor me betekent? De gezinshuisouders hebben heel veel voor me betekend, ook al voelen ze niet als m’n echte ouders. Ik heb me altijd thuis gevoeld bij hen. En dat is natuurlijk heel fijn. Als ik op een groep was opgegroeid, was het wel anders gegaan. Dan denk ik dat ze het best aan me zouden merken, dat ik een soort probleemkind zou zijn. De kans was groter dat het de fout in zou gaan. Maar doordat ik in een gezinshuis ben gekomen, is dat niet gebeurd. Daar ben ik wel blij mee. Het gaat heel goed met mij.”    

*Vanwege privacy staat Sanne niet zelf op de foto, maar een model. Sanne is ook niet de echte naam van het meisje in dit verhaal .