Hoe krijgt het onderwerp trauma een plek in jouw werk?
‘De visie op trauma en hechting is door de jaren heen behoorlijk veranderd. Waar men voorheen vond dat je slapende honden beter niet wakker kon maken, weet men inmiddels dat het eerder verwerken van trauma’s belangrijk is voor de ontwikkeling van een kind. In de gezinshuizen is om deze reden veel aandacht voor traumasensitief opvoeden, omdat ook binnen de dagelijkse opvoeding veel gedaan kan worden aan het verwerken van traumatische ervaringen. Een voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld dat gezinshuisouders achter het gedrag of de emotieregulatie problemen van kinderen en jongeren kijken. Bij een sensitieve aanpak is het belangrijk om achter het gedrag te kijken, te helpen om stress te hanteren en voor veiligheid te zorgen. Dat laatste, het bieden van een veilig thuis, is een voorwaarde voor het werken aan trauma’s bij kinderen.’  

Je werkt al drie jaar als gedragswetenschapper in gezinshuizen. Wat is een gezinshuis en wat is jouw rol precies?
‘Een gezinshuis is een kleinschalige vorm van jeugdhulp, waar kinderen en jongeren tussen de 6 en 18 jaar voor korte of langere tijd opgroeien en wonen. De kinderen en jongeren die in het gezinshuis terecht komen, kunnen om verschillende redenen niet thuis wonen. Eigenlijk hebben al deze kinderen last van een complexe of meervoudige problematiek. Als gedragswetenschapper ben ik verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het kind of de jongere in het gezinshuis. In overleg met de jongere, zijn of haar ouders en de verwijzer stellen we een behandelplan op  waarmee gezinshuisouders samen met de jongere aan de slag gaan. Er vinden multidisciplinaire overleggen plaats, waarbij goed naar de gezinshuisouders geluisterd wordt, want zij zien het kind 24/7. Mijn taak is om overkoepelend te kijken en te zorgen dat er voldoende ondersteuning is voor de biologische ouders en dat er hulp komt voor kinderen en jongeren die dat nodig hebben.’   

‘Het gezinshuis bestaat uit twee professionele opvoeders en, indien zij die hebben, ook hun biologische kinderen. Het opvallendste verschil tussen gezinshuiszorg en pleegzorg is dat er bij gezinshuiszorg sprake is van professioneel opvoederschap. Dit houdt in dat gezinshuisouders intensief begeleid worden, een agogische achtergrond hebben en samen met het kind werken aan behandeldoelen. Ze nemen daarbij voor een periode de dagelijkse opvoeding op zich. Persoonlijk ben ik groot voorstander van een gezinshuis, omdat het een gezinsgerichte vorm van opvoeden is. De gezinshuizen sluiten daarmee goed aan op het ‘gewone’ leven.’  

Door veranderingen in de zorg komt de Basis GGZ dichterbij jouw werk te staan. Allereerst: wat is het verschil tussen Basis GGZ en Specialistische GGZ?
‘Basis GGZ biedt zorg wanneer er sprake is van lichte of matige problematiek. Basis GGZ heeft daarmee ook een beperkt aantal behandelsessies om die lichte of matige problematiek te behandelen. Dit zijn ongeveer 10 tot 12 afspraken. Specialistische GGZ gaat over een intensievere zorgvraag, waarmee 10 of 12 behandelafspraken niet voldoende zijn om voldoende toe te komen aan de juiste behandeling. Veel kinderen en jongeren die binnen gezinshuizen opgroeien, hebben meer nodig dan behandeling binnen de Basis GGZ. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om langdurige traumabehandeling, of eerst een meer stabiliserende vorm van behandeling als speltherapie of een lichaamsgerichte behandeling.’  

Welke mogelijkheden biedt het dichterbij komen van de Basis GGZ voor jouw werk?
‘Binnen het Leger des Heils zijn we ook zelf aan het nadenken over en het ontwikkelen van het zelf bieden van behandeling. Dit heeft er mee te maken dat we de doelgroep goed kennen en daarmee mogelijk sneller en makkelijker kunnen aansluiten bij de vraag. Zelf geef ik bijvoorbeeld schrijftherapie (Write Junior). Deze therapie is een vorm van traumabehandeling.  Ook heb ik collega’s die andere vormen van traumabehandeling kunnen bieden, zoals EMDR. We hebben te maken met lange wachttijden binnen de specialistische GGZ. Daarnaast bestaat onze doelgroep uit jongeren die om allerlei redenen niet direct staan te springen om een vorm van behandeling. Deze behandeling kan hen echter wel vaak ondersteunen in het dagelijks leven en de manier waarop ze naar zichzelf, de ander en de wereld kijken.’ 

Wat doen jullie op het gebied van hechtingsproblematiek?
‘De begrippen trauma en hechting worden dikwijls door elkaar gebruikt. Met traumasensitief opvoeden werken we ook aan de hechtingservaringen van kinderen, omdat het veel gaat over afstemmen, sensitiviteit, duidelijkheid en voorspelbaarheid. Het opdoen van traumatische ervaringen binnen een vroege jeugd, heeft invloed op hechtingservaringen en het ontwikkelen van een hechtingsstijl. Een trauma heeft namelijk veel invloed op hoe je naar jezelf, de ander en de wereld kijkt en hoe je je daartoe verhoudt. Dit kan vervolgens tot uiting komen binnen relaties met anderen. Jongeren kunnen het bijvoorbeeld ingewikkeld vinden om volwassenen te vertrouwen of te doseren binnen relaties. Het is, naast passende behandeling, van groot belang dat kinderen herstellende ervaringen opdoen in het vertrouwen van volwassenen. De relatie met gezinshuisouders is hierbij een belangrijk middel. Ook de samenwerkingsrelatie met biologische ouders speelt hierin een belangrijke rol.’

Wat doen jullie om de samenwerkingsrelatie met biologische ouders te verbeteren?
‘Wij doen als Leger des Heils zijnde mee aan het onderzoek ‘Jouw gezin, mijn zorg’, vanuit de Christelijke Hogeschool Ede. Dit onderzoek richt zich op de samenwerkingsrelatie tussen gezinshuisouders, biologische ouders en jongeren binnen gezinshuizen. Deze samenwerkingsrelatie vraagt goede afstemming van alle betrokken partijen, omdat we zien dat als deze samenwerking goed lukt, dit direct invloed heeft op de jongere in het gezinshuis. Het doel van het onderzoek is o.a. om, door middel van goede onderlinge samenwerking, breakdowns in de pubertijd tegen te gaan. Voor het onderzoek vinden diepte-interviews plaats met zowel biologische ouders, gezinshuisouders als de kinderen. Ook worden er video-opnames en registraties gemaakt van het contact tussen biologische ouders, gezinshuisouders en het kind. Onderzoekers brengen op deze manier in beeld wat werkt en wat niet. Samen willen we er alles aan doen om deze belangrijke samenwerkingsrelatie goed vorm te geven.’