LEESTIJD: 3 MINUTEN

‘Zedendelinquenten gaan soms over hun eigen pijntjes vertellen, terwijl ik hen vraag waarom ze een bepaald vergrijp hebben gepleegd. Daar kan ik soms best pissig van worden.’ Peter is reclasseringswerker en stuurt als interim clustermanager ook een toezichtteam aan. Naast (functionerings)gesprekken met reclasseringswerkers spreekt hij ook nog ‘gewoon’ cliënten. Maar echt gewoon is het nooit.

Blowen op de bouw 
Het eerste gesprek dat Peter heeft is met Bram*. Bram heeft een brede glimlach op zijn gezicht als hij op zijn glanzende, zwarte gympen de kamer binnenstapt. Het is direct duidelijk dat hij een echte grappenmaker is. Hij schudt Peter uitgelaten de hand en begint, na enige aanmoediging, in geuren en kleuren te vertellen. ‘Eén keer heb ik een blowtje gedaan op de bouw. Ik stond op een hoge steiger zonder platen om op te staan. Dat doe ik dus nooit meer.’ Bram werkt dus in de bouw en op het eerst gezicht zou hij je buurjongen kunnen zijn. Zolang je niet weet van de roofoverval die hij pleegde, de vrijspraak van heroïnehandel en de arrestatie voor wapenbezit, is hij net als iedere andere 22-jarige. Voor dat eerste voorval schaamt Bram zich trouwens een beetje. ‘Dat kan eigenlijk echt niet’, geeft hij toe.

Peter stelt veel vragen aan Bram en de twee lijken prima met elkaar over weg te kunnen. Zo nu en dan wordt het best persoonlijk. ‘Hoe is het in de liefde, Bram?’, vraagt Peter nieuwsgierig. Bram zucht: ‘Ik ben niet op zoek hoor, maar de meiden die ik tegenkom zijn niet echt serieus met me. Mijn moeder zegt altijd dat ik de ware niet tegen ga komen in het uitgaanscircuit.’ Bram’s aanstekelijke lach siert het einde van bijna iedere zin. ‘Dat is soms ook een beetje om zijn echte gevoelens te verbloemen’, vertelt Peter later.

 ‘Brandstichting?! Dat kan niet, want ik was bij een vrouwtje’

Onjuist bejegend
Wekelijks overlegt Peter met procesregisseur Niels. De mannen zoeken nog wat naar woorden, want hun samenwerking is nog pril. ‘Misschien moeten we een agenda in het leven roepen’, oppert Niels. ‘Nee joh, we zien elkaar elke week!’, sputtert Peter tegen. Niels en Peter vervolgen hun gesprek en staan langere tijd stil bij verschillende medewerkers, knelpunten in de werkprocessen en de werkvoorraad.

‘Dat weet ik niet, meneer’
In de penitentiaire inrichting bezoekt Peter een cliënt die hij voor het eerst spreekt. Zijn naam is Abdoullah* en hij zit vast voor brandstichting. Daar denkt hij zelf heel anders over. ‘Brandstichting?! Dat kan niet, want ik was bij een vrouwtje’. Peter vraagt hem of hij een alcoholverslaving heeft. ‘Dat weet ik niet, meneer.’ Zenuwachtig krabt hij aan de wondjes op zijn armen en benen. Af en toe reageert hij gepikeerd, als hij vindt dat Peter hem woorden in de mond legt. Aan het einde spreekt hij zijn waardering uit. ‘Jou mag ik wel, Peter’, zegt Abdoullah. ‘Dat zeggen ze wel vaker na het eerste gesprek, want dan hebben ze wat van mij nodig’, licht Peter later toe. Hij vervolgt: ‘Bij de rapportbespreking slaat dat soms om, omdat ze het dan niet met het advies eens zijn. Daar kan ik alleen niet altijd wat aan veranderen.’

Beëdiging in de rechtbank
Aan het einde van de dag vindt er een beëdiging plaats in de rechtbank. Verschillende tolken en twee beginnende reclasseringswerkers uit Peters’ team worden beëdigd. ‘Ze moeten dan beloven dat ze hun werk zo eerlijk mogelijk uitvoeren en dat ze nooit zullen liegen in de rechtbank’, vertelt Peter. De rechter moet gelijk streng optreden, want het zoontje van een van de tolken wil zijn vader niet loslaten. ‘Dat doen we normaal niet, maar goed’, zegt ze streng. De jongen mag op schoot blijven zitten. Nadat de rechter, na afloop van de beëdiging, met lichte tegenzin op de foto gaat met de reclasseringsvrouwen, overhandigt Peter ieder trots een bos bloemen.  

*Dit zijn gefingeerde namen