“Neeeeeee!” Ik ren als een wilde achter mijn vliegende papieren aan, die om de beurt allemaal op de natte straat neer vallen, top. Windstootje onderschat. Er hangen camera’s om me heen en die dame van de receptie van de Penitentiaire Inrichting (PI) heeft al behoorlijk de pik op me, dus die zal zich wel kapot aan het lachen zijn.

Ik zocht op de stoep in het dossier dringend naar bewijs om mijn punt te kunnen maken. Vlak daarvoor was ik namelijk door de PI naar buiten gestuurd omdat de jongen die ik wilde spreken “in beperkingen zit, dus u mag hem niet bezoeken, mevrouw.” Nu weet ik dat ik soms, meestal onbewust, een belerende toon kan hebben dus ik vermoed dat mijn reactie “dat deze beperkingen niet gelden voor advocaten, reclasseringswerkers en de politie”, bij haar in het verkeerde keelgat schoot. De sfeer was meteen grimmig en met tegenzin belde ze haar teamleider om mijn bewering te checken, maar ze kwam terug met dezelfde boodschap en ik werd verzocht het pand te verlaten. Dat ik dan zelf maar even de PI moest bellen. “De PI waar ik nu ben, bedoel je?” “Ja. Maar u mag niet binnen bellen.” “Dus ik moet nu naar buiten om jullie vervolgens te bellen?” “Ja.”

Oké, uitdaging geaccepteerd. Dit gaat lukken en ik weet absoluut zeker dat ik gelijk heb. Ik begon me langzaamaan al (weer) op te winden over het bureaucratische geneuzel dat soms daadwerkelijk de rechten en de kans op zorg voor onze doelgroep belemmert. Hoe kan het nou zo zijn dat een 20-jarige knaap die nog nooit in aanraking is gekomen met politie, nu geïsoleerd zonder enig contact met de buitenwereld –of zijn ouders- is opgesloten? Hij als Hbo-student Sociaal Werk. Misschien een typisch geval van overdreven risicobeheersing n.a.v. de rellen in Kanaleneiland en Overvecht, en ik vraag me ook sceptisch af of hij zonder zijn Marokkaanse achtergrond op dezelfde manier behandeld zou zijn.

Mijn collega stuurt snel wat algemene regelgeving door en ik heb de papieren van het Openbaar Ministerie in mijn hand. Die wind vliegt er dan dus even doorheen, maar ik heb weer een bijeengeraapt stapeltje. Opnieuw in discussie bij de intercom, gênant wordt het! Nog 20 minuten later word ik eindelijk terug gebeld door de teamleider dat ik de jongeman toch inderdaad mag spreken. De receptioniste kijkt me niet eens meer aan als ik –misschien wat triomfantelijk- langs loop. Mijn temperatuur wordt nog opgemeten met een soort laserstraal (want Corona) en de detectiepoortjes piepen verheugd vanwege mijn beha. Als ik de jongen uiteindelijk vertel dat hij verdacht wordt van ‘opruiing’, weet hij niet eens wat dat betekent en vraagt hij zich af wat hij hier eigenlijk doet.

Inmiddels ben ik ruimschoots te laat voor mijn volgende dienst, ZSM op het Politiebureau. Dus even doortrappen terwijl er nog een stortbui uit de lucht komt vallen. Onderweg heb ik de reddende collega weer aan de lijn die vraagt: “Aah, heb je zó’n dag?!” “Ja, ik heb echt heel erg zó’n dag!” We begrijpen elkaar meteen. Op ZSM is de verdachtenmonitor al vol gelopen, ik trek m’n doorweekte schoenen uit en loop op blote voeten, terwijl ik een makkelijke zaak kies om mee te beginnen. Strafrecht artikel 310, diefstal. Mm oké, zal wel iets van kleding of drank zijn, even kijken...Uhm nee, diefstal van een…Huh, klopt dit wel? Een schaap. Wat?!

Over Sofie

Soms omvat een werkdag zware stof om te verteren. Maar als ik met anderen praat over hun verkoop van ‘iets’ of het behalen van één of andere target, hoor ik dat mijn werkdagen vaak ook kunnen klinken als komische cartoons. En dan ben ik dankbaar om onderdeel te zijn van de chaos, de verdrietige werkelijkheden, de felle discussies die soms nodig zijn om muren af te breken, en het lachen met collega’s om wat we allemaal meemaken. Nu vier jaar werkzaam als reclasseringswerker bij het Leger des Heils neem ik, wie het lezen wilt, graag mee in deze bijzondere belevingswereld. Weer eens wat anders dan een formeel geanalyseerd advies aan een rechtbank, ook fijn!