Preek 9 november 2014

Leger des Heils – korps Kampen
Zondag 9 november 2014

Thema: Maskers
Luitenant Aalt Fikse

Bijbeltekst: Lucas 18:9-17
Daarna vertelde Hij een gelijkenis speciaal bedoeld voor degenen, die opschepten over hun eigen goedheid en die op al de anderen neerkeken. 10 "Twee mannen gingen naar de tempel om te bidden. De ene was een Farizeeër die erg met zichzelf was ingenomen. De andere was een tolontvanger. 11 De Farizeeër stond rechtop en zei dit gebed: 'Dank u, God, dat ik niet zo ben als alle zondaars. En zeker niet zoals die tolontvanger daar! Ik bedrieg niemand. Ik pleeg geen overspel. 12 Ik vast twee maal per week. En ik geef U tien procent van alles wat ik verdien.' 13 Maar de tolontvanger stond helemaal achterin de tempel. Hij durfde niet eens omhoog te kijken, terwijl hij aan het bidden was. Hij sloeg zich van berouw en verdriet op de borst en zei: 'God, ik ben een zondaar. Wilt U mij in genade aannemen?' 14 Onthoud dit goed: Die tolontvanger had vergeving van God ontvangen, toen hij naar huis ging. Maar die Farizeeër niet! Want wie erop uit is meer eer te krijgen dan hem toekomt, zal worden vernederd. Maar wie nederig is, zal eer ontvangen." 15 Op een dag brachten enkele mensen hun kleine kinderen bij Hem. Zij wilden graag dat Hij ze zou aanraken en zegenen. De discipelen zeiden echter dat ze moesten weggaan. 16 Maar Jezus riep de kinderen bij Zich en zei tegen Zijn discipelen: "Laat die kinderen toch bij Mij komen! Houd ze niet tegen. Want voor zulke kleintjes is het Koninkrijk van God. 17 Het is zelfs zo dat wie niet het eenvoudige geloof van een kind heeft, niet eens in het Koninkrijk van God kan komen."


Inleiding:
ill:. ‘Ja, dominee,’ zei een mevrouw tijdens een huisbezoek, ‘ik besef het héél goed: ik ben een zondig mens...’ ‘Nou,’ zei de dominee, ‘dat is wel toevallig, gisteren sprak ik uw buurvrouw, en die zei dat ook al over u!’ ‘Wát zei ze?!’ zei de vrouw, en ze werd rood van kwaadheid.

God figurant?:
We hebben het verhaal gelezen van de Tollenaar en de Farizeeër. Je zou kunnen denken: ‘Die Farizeeër, die is trots op al zijn eigen prestaties. En die tollenaar, die is schuldbewust, die belijdt dat hij een zondaar is. Dus dat is wat God van ons verwacht, dat we erkennen dat we
zondaars zijn.’ Maar omdat we dit verhaal al wel kennen, hebben we al generaties lang in onze gedachten dat we onze fouten en tekortkomingen moeten belijden. Maar dan kan dat ‘onderdanige’ ook weer iets worden waardoor we in aanzien denken te gaan stijgen… Net zoals die mevrouw uit het voorbeeld. Ze zei zich een zondaar te voelen, maar toen ze er op werd aangesproken, werd ze boos.

Waar het hier om gaat is dat de Farizeeër alleen zichzelf belangrijk vind en eer geeft. God is alleen maar een soort middel om zichzelf aan te prijzen. God is een soort figurant. Figuranten in een film zijn als opvulling van het beeld. Het zijn mensen die op de achtergrond praten of door het beeld lopen om het allemaal ‘echt’ te laten lijken. Veel figuranten komen ook vaker voor in één film, maar dan in verschillende rollen. Ze worden niet eens opgemerkt door de kijker, maar zonder hen zou het beeld wat kaal zijn. De aandacht gaat uit naar de hoofdrolspeler, de filmster. God is in het leven van veel mensen, ook gelovigen niet meer dan een figurant. Hij vult ons leven op, kleurt het wat bij, maar wijzelf zijn de hoofdpersoon, de sterspeler.  

God is voor de Farizeeër een achtergrondfiguur op een ‘selfi’. God is voor de Farizeeër een ‘twitter-adres’, waar je je ‘tweet’ heen stuurt over wat jij op dat moment doet. God is één van je tientallen of zelfs honderden volgers op facebook, benieuwt wat voor geweldige dingen je nu weer gaat doen.

Wat doet deze Farizeeër nu fout? Want dat is wel duidelijk: hij gaat niet gerechtvaardigd naar huis. In feite is deze Farizeeër voortdurend bezig om zijn eigen stand op te houden. Alles wat hij goed doet, dat vasten, en het geven van giften, en rechtvaardig leven en zo, daar is op zichzelf niets mis mee. Integendeel, dat is bijzonder en goed! Alleen: als je nu bij God komt, in Zijn tempel, en je weet niets anders te zeggen dan: ‘Wat ben ik toch goed! Dank U dat ik zó goed ben!’, dan geef je zelf aan dat dát de basis is van je vertrouwen: je eigen goede daden, jouw geweldige staat van dienst! Jij dankt God, maar dat is alleen de vorm. In je hart denk je: ‘Hij zal mij wel dankbaar zijn!’

Zelfreflectie:
In deze gelijkenis lijkt dat héél ver weg, want zoals Jezus het tekent, komt het haast lachwekkend over. Maar als we nu eens even eerlijk teruggaan naar onszelf, naar onze ziel, komt het dan niet dichterbij? Als je God onder ogen komt, wat is dan de basis van je vertrouwen? Hoevelen van ons denken niet; ‘waren de mensen maar meer zoals ik ben’, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. En als er sprake is van onenigheid en spanning, zijn we geneigd om de ‘schuld’ bij die ander te zoeken. We missen vaak de zelfreflectie. Een definitie is; overdenking van je eigen gedachten, gevoelens en herinneringen. Op internet wordt geschreven; Zelfreflectie is het naar zichzelf kijken en daarbij het eigen handelen overdenken. Men houdt zichzelf als het ware een spiegeltje voor. Dit figuurlijke spiegeltje voorhouden heeft als doel om bewust te worden van handelingen die zowel bewust als onbewust gemaakt worden. Bij zelfreflectie wordt er gekeken naar wat men goed en wat men minder goed kan.

Bedrijven willen graag dat hun medewerkers steeds beter presteren. Dan blijft het bedrijf gezond. Misschien maakt u op uw werk ook wel evaluatiemomenten mee. Iemand van Personeelszaken, of uw directe leidinggevende zal dan het gesprek aangaan en u een spiegel willen voorhouden. Samen sta je stil bij hoe je werkt door naar jezelf te kijken over een bepaalde periode. Je denkt daarbij na over de keuzes die je hebt gemaakt binnen je werk. Waarom heb ik het toen zo aangepakt? En waarom ging dit goed? Of juist minder goed? Ook sta je stil bij de vaardigheden je inzet. Waar ben ik goed in en wat kan er juist beter? Je stelt jezelf daarbij ook de vraag hoe je je daarbij voelde. Werd ik er blij van of juist niet? Vond ik het spannend? Zelfreflectie is een moment om kritisch naar jezelf te kijken om jezelf te verbeteren en te ontwikkeling. Het doel is dus verbeteren en ontwikkelen.

Zesjescultuur:
De Farizeeër kwam niet verder dan zijn goede kanten benoemen, misschien wilde hij zelfs die goede kanten nog wel verbeteren. Dan loop je op je tenen. Je hebt als het ware een masker op. Gods Geest  wil graag openheid en daarbij de mindere kanten graag verbeteren en ontwikkelen.
illustratie:                 Regenton



Wij nemen zo vaak genoegen met het minimale. Hoeveel jongeren op school zeggen niet; “als ik maar een voldoende haal.”  Tegenwoordig staat op de rapportlijst ook het aantal; “tekortpunten.” Bij elk vak wordt opgeteld hoeveel punten of tienden van punten je tekort staat voor een voldoende. (Voor Frans een 5,5 dus 0,5 tekortpunt, enz.) Het streven is dan om niet tekort te staan. Jezelf vergelijken met de ander die nog meer tekortpunten heeft. Dan voel je je al een stuk beter. Dat is de ‘zesjes-cultuur.’ Je kunt ook zeggen; “Ik wil voor elk vak een 7 of een 8 staan.

Masker af:
Zolang je de basis voor je vertrouwen blijft leggen in je éígen leven en je éígen daden, kun je nóóit 100 % eerlijk worden naar God toe. En óók niet naar jezelf toe, want dan houd je niets over! Je falen, je mislukkingen, daar dúrf je niet aan te denken. Je stopt ze weg, zelfs in je
gebed. Je verstopt ze voor je eigen geweten. Je blijft maar op je tenen lopen, je blijft je maar verstoppen achter je masker. Hoeveel mensen gaan niet dagelijks het gevecht aan met hun geweten. Het geweten, dat kleine innerlijke stemmetje spreekt ons aan op onze gedachten, gevoelens en daden. In plaats van ernaar te luisteren en te ‘reflecteren’, schieten we in de verdediging en doen er alles aan om het voor onszelf goed te praten, onszelf te rechtvaardigen. We doen er alles aan om ons geweten weg te drukken, uit te doven…

Totdat je ontdekt, eindelijk, dat dat niet werkt. Dat jij als mens je niet moet vergelijken met een ander mens, maar met de hoge God. Met de volmaakte Jezus. Dan ontdek je dat er bij jou ook wel het één en ander is bij te schaven. En dát is de ontdekking van de tollenaar. Als hij in de tempel komt, dan hoeft hij zijn stand niet meer op te houden, want hij hééft geen stand, hij hóúdt geen stand. Hij heeft ontdekt dat hij geestelijk gesproken failliet is. Zijn leven is een puinhoop, en dat is wat hij toegeeft! Eindelijk wordt hij eerlijk. Hij heeft fout op fout gestapeld, hij heeft zijn geluk gezocht in het geld, in de rijkdom, daarvoor was hij bereid om zijn eigen volk te verraden (NSB-er) met de Romeinse bezetters mee te werken. Hij komt in de tempel en hij stort zijn hart uit. Zij masker gaat af. En hij kan het alleen nog maar bidden: ‘O God, wees mij, zondaar, genadig!’ De basis van zijn vertrouwen legt deze tollenaar niet in zijn eigen daden, of in zijn goede bedoelingen, maar in de genade van God. Niet in zichzelf, maar in God.

Als je niet meer jezelf rechtvaardigt, maar eerlijk bent voor God, dan wòrd je door Hem
gerechtvaardigd! ‘Nee’, zegt Jezus, ‘zoek je vertrouwen in God! In Zijn genade. Wees eerlijk, verhóóg jezelf niet, nee, verneder jezelf. Geef het maar toe, wat er mis ging. Wees eerlijk
over je strijd, van binnen, over je overwinningen en je mislukkingen. Wees eerlijk over je hoop en over je wanhoop, over je vreugde, en ook over je pijn en je moeite, dat je vaak wel wilt, maar dat het ook zo vaak niet lukt. Wees eerlijk, naar God toe, en ook naar jezelf toe. Als je zó komt bij God, en je zoekt je rechtvaardiging niet in jezélf, maar in de HERE, je zoekt de basis van je vertrouwen niet in je eigen daden, maar in Gods genade, als je dat doet – dan wórd je
gerechtvaardigd. Je hoeft jezelf niet te rechtvaardigen. Nee, je wordt rechtvaardig verkláárd!’

Later in het Evangelie wordt duidelijk hoe God zó genadig kan zijn. Hij kan zo ruimhartig vergeven, omdat Jezus in onze plaats alle schuld betaalt aan het kruis.

Door Hem is er een weg naar Gods hart. Vandaag mogen we onze maskers afdoen, we mogen
eerlijk en oprecht ons hele leven openleggen voor God, we mogen naar Hem toekomen en het bidden, in alle eenvoud: ‘O God, wees mij, zondaar, genadig.’ En als we dat doen, dan zullen we het merken: de last op onze schouders, die neemt Hij van ons af. De steen op ons hart, die wentelt Hij weg. De schuld waaronder we gebukt gaan, daarvan zegt Hij: ‘Voldaan!’ En wij
mogen verder, onvoorstelbaar opgelucht, in vrijheid, omdat Jezus Christus ook onze Verlosser wil zijn. Dan worden we verhoog en we eren onze Heiliand. Want de basis van onze redding ligt niet in onszelf, maar in Hem.