"Ik zeg nooit: het komt wel goed"

Annete Luth (43)

Afgezakte schouders, die kent Annette wel. Net als de zeurende gedachte dat je niks voorstelt. Mensen in diepe schulden kennen zowel de neerbuigende blikken van anderen als het zelfverwijt. "Het gevoel de domste te zijn omdat je geen succes hebt in je leven, is hardnekkig."

Zelf wist Annette nooit wat ze wilde worden. Tijdens een zware periode liet ze de keuzes op hun beloop. Ze werkte 22 jaar bij tuin- en dierwinkel Welkoop, tot ze twee jaar geleden ontslag nam. In een huis-aan-huisblad en het kerkblad las Annette over het maatjesproject. "Het bleef haken, ik moest er wat mee." Ze volgde enkele cursussen en voor ze het wist zat ze bij 'haar' eerste gezin. Een echtpaar, een kind, twee auto’s en een eigen bedrijfje dat verlies draaide. Op tafel een berg papier met enveloppen, waarvan de meeste nog gesloten waren.

Puinhoop

Samen maakten ze stapeltjes: huis, auto’s, tandarts, Wehkamp… Al doende kwamen de verhalen. En ook de grenzen van wat haalbaar is. Uiteindelijk zakte de motivatie van het gezin weg, lieten ze Annette voor een dichte deur staan en hield haar rol op. Maar toch: "Ik kan iets betekenen in de puinhoop van anderen. Als dat tijdelijk is, vind ik dat niet erg. Ik haal even de schaamte van hun schouders, geef ze het gevoel niet alleen te staan. Altijd de uitzondering zijn, elke dag moeten vechten, dat maakt mensen moe. Ik vind het fijn te kunnen zeggen: kom, we doen het samen."

Humor

Het vrijwilligerswerk bracht haar zoveel plezier dat Annette inmiddels een opleiding is begonnen tot schuldhulpverlener. En onlangs begon ze aan een baan als administratief medewerker bij een bewindvoerder. Je moet er af en toe ook wat humor doorheen gooien, vindt ze. Sommige problemen zijn zwaar. "Als mensen die het al moeilijk hebben, afgestraft worden met strikte maatregelen, raakt de onrechtvaardigheid me. Een grapje maakt het wat lichter." Maar ze zegt nooit: het komt wel goed. "Dat kan ik niet voorspellen. Ik wil een steun zijn, een eindje meelopen."

Dit artikel verscheen in Kans magazine, nr.2 2013
Tekst: Galiene Gerritsen