Waden door het vuil

Een medewerker van de Mobiele Schoonmaak over het schoonmaken van extreem vervuilde huizen

Kenneth krijgt af en toe vlooien aan z’n been en poetst regelmatig poep van muren. Dat klinkt als een dirty job, maar daar is hij het niet mee eens. Enthousiast vertelt Kenneth over zijn werk bij de Mobiele Schoonmaak van het Leger des Heils, waar hij met collega’s ernstig vervuilde huizen onder handen neemt. Van het lospeuteren van dode muizen tot het voeren van gesprekken over zelfmoord met depressieve mensen – je moet bijzonder veel karakter hebben voor deze baan. Kenneth doet zijn gele handschoenen aan en neemt ons mee in het huis waar hij vandaag werkt, in het centrum van Amsterdam.
image

De deuren van het appartement staan wagenwijd open. Kenneth stapt over de vuilniszakken heen en waarschuwt voor het kamertje aan de rechterkant. “Hier ligt het ondergoed van meneer, en we hebben de ruimte nog niet gelucht.” Op deze zonnige donderdag waait de wind door het huis waar zij puinruimen, en dat is maar goed ook – het ruikt muf en vies binnen. Ze zijn al aan het einde van de klus, de slaapkamer, badkamer en woonkamer van de bewoner zijn helemaal leeg en grondig schoongemaakt. “Het duurt wel een paar dagen voor je de geur eruit hebt, zeker als mensen binnen hebben gerookt. Daar kun je niet tegenop poetsen”, vertelt Kenneth.

‘We komen helpen’

Hoe komt hij in zo’n vies huis terecht? “Meestal maken buren een melding als ze stankoverlast hebben. Dan gaat een hulpverlener voor de intake langs en heeft die gesprekken met de bewoner. Als deze persoon akkoord gaat met hulp, mogen wij komen. Maar het gebeurt ook wel dat we langskomen zonder toestemming. Dan moet het huis worden schoongemaakt van de huiseigenaar of de gemeente. Het is vaak een uitdaging om überhaupt binnen te komen. Dat is een kwestie van vertrouwen winnen, weet je. ‘Dag mevrouw, we komen helpen’ werkt veel beter dan ‘we komen opruimen’. Het woord opruimen is eng, mensen willen niet dat je hun spullen weggooit. En als je het helpen noemt, laat je mensen zien dat ze zelf ook nog een rol spelen. ‘In orde brengen’ kan soms al te heftig klinken. Eén verkeerd woord en ze gooien de deur dicht, hoor. Deze mensen zijn ziek. Ze gebruiken drugs of alcohol en kunnen daardoor niet meer normaal voor zichzelf zorgen. Of het klopt niet in hun hoofd. Echt, sommige mensen zijn als de dood dat je hun papieren aanraakt – het hele huis ligt dan vol. Je moet ze stapje voor stapje overhalen om dingen weg te gooien. In dit huis mocht ik absoluut niet aan de kast in de woonkamer komen. Toen zei ik: ‘meneer, we gaan wel aan uw kast zitten, want ik moet hem schoonmaken, maar ik zal alles op precies hetzelfde plekje terugzetten. Dat is mijn belofte.’ Toen ging hij akkoord. Je moet ook respect hebben voor deze mensen. Je bent te gast in hun huis. Jij zou het ook niks vinden als een ander je huis omgooit. Respect is belangrijk.”

‘Het ruikt naar parfum’

Kenneth doet voor hoe hij reageert als hij voor het eerst binnenkomt in een vervuild huis. Hij trekt zijn schouders naar achter en zet een sympathiek gezicht op. “Je moet jezelf echt vermannen. Doe of het heerlijk ruikt, weetje. Je ruikt parfum – dat moet je jezelf vertellen. Mensen zien het meteen als je je neus ophaalt en dan gaan ze zich schamen. ‘We gaan samen wat doen, gezellig’ zeg ik dan. Als je gaat opruimen, laat je de bewoner meekijken. Wat mag er weg en wat niet? En soms moet je dan ook een beetje verleiden. Mensen die verzameldrift hebben, willen hun spullen niet weggooien – maar weggeven vinden ze prachtig. Dan zeg ik over iets heel lelijks ‘oh wat is dat mooi, wat een leuk beeldje’ en dan zegt de bewoner ‘ja hè, wil je het hebben?’ en dan zeg ik ‘ja, wat leuk!’ – terwijl ik dan denk: mooi, dan kan dat meteen weg. Mensen komen in sommige kamers helemaal niet meer omdat het vol staat en smerig is, maar als ze dan zien wat voor spullen je er vandaan trekt, gaan ze opeens denken dat ze die spullen toch allemaal niet kunnen missen. En ja, er moet nu eenmaal veel weg, anders heeft het geen zin wat we doen. Dan moet je ze gewoon overtuigen. Of een vriendschap opbouwen, zodat ze je daarin vertrouwen. Meestal kun je na een paar dagen veel meer voor elkaar krijgen dan aan het begin. Omdat ze zien dat je het goede met hen voorhebt.”

Een dichte deur

Kenneth gaat met een doekje over het kozijn. Hij kijkt vanaf het balkon naar de gracht. “Kijk nou wat een mooi plekkie om te wonen. Ik zou dit huis best willen, man. Bootje erbij. Echt zonde dat iemand het dan zo laat verloederen. Maar ja, dat is ook niet zijn keuze geweest. Deze bewoner is verslaafd aan alcohol. Gisteren is hij opgenomen bij het Leger. Hij komt terug in een paleisje!” Kenneth komt terug op het vertrouwen winnen. “Je kunt je er ook in vergissen. Dan denk je: deze meneer doet niet zo lastig, maar als je dan terugkomt van je pauze of de volgende ochtend, blijft de deur stijf dicht. Dat is gedoe, dan moet er eerst weer een hulpverlener komen om die persoon te overtuigen. Daarom is het echt belangrijk – dat vertrouwen winnen.”

Omgaan met geestelijke troep

“Ik ben gelovig opgevoed – van kinds af dank ik God voor elke dag die ik krijg. Door mijn geloof zie ik ook dat elk mens net zoveel waard is. Je ziet zulke mensen dan ook gewoon als mens. We waren een keer bij een man die zelfmoord wilde plegen. Toen ben ik even met hem gaan zitten. Ik zei: ‘Luister. Het is niet God die je straft. Je moet zelf de duivel in je leven wegjagen. Ik ben ook geen rijke man, maar ik doe mijn best. Iedereen maakt fouten. Het is maar net hoe je met de troep omgaat die je daarmee maakt.’ Die man heeft later nog een bedankje gestuurd via de hulpverlener. Hij was zo opgeknapt van dat gesprek. Je bent soms gewoon een soort maatschappelijk werker joh, tussen het schoonmaken door.”

Je went niet snel aan vuil

Het ergste geval had Kenneth twee jaar geleden, in Amsterdam Oost. “We konden de deur niet openkrijgen, er stond te veel vuil achter de deur. We zijn toen via het raam binnengekomen. De eerste dag dat we daar werkten, hebben we drie bussen vol vuil naar de vuilstort gebracht. De keuken en kamer werden daar niet meer gebruikt, het was heel raar om onder al die vuilnis opeens een bank en stoelen tevoorschijn te zien komen. We moesten waden door het vuil. De meneer die in dat huis woonde, gebruikte alleen de bovenste verdieping. Hij had straatvrees en kwam alleen

"Dan ben ik niet alleen blij met het schone huis, maar vooral ook met het gezicht van de bewoner."

‘s nachts buiten. Een buurvrouw rook de stank en heeft een melding gemaakt. Dat zijn heel bizarre gevallen. De stoerste schoonmaker vindt dat ook nog pittig, hoor. Sowieso wen je niet aan het vuil. We spreken echt af wie er deze week het toilet moet doen. Je verdeelt de heftigste klusjes. Maar als je zo’n extreem vervuild huis dan uiteindelijk tot een fijne, schone plek hebt omgetoverd – oh dat voelt zo lekker! Echt, dan ga ik als een gelukkig man naar huis. Soms zit ik zo in de vibe, dat ik thuis meteen doorga met schoonmaken, haha.”

image

‘Dit is ons geheim’

“We waren niet lang geleden in het huis van een rechter. Hij was er zelf niet, zijn dochter liet ons binnen. Dan zie je dat het niets heeft te maken met hoe slim je bent. En ook mensen die ver heen zijn, schamen zich. Ze zien zelf ook wel dat het een rotzooi is, ze weten alleen niet meer hoe ze het zelf moeten oplossen. Ik zeg tegen zulke mensen ‘dit is ons geheim’. Als ik weg ben, is het voorbij. Zij krijgen een nieuwe start, ik ben voor hooguit een week hun huisvriend. Dat is voor hun eigen veiligheid. Ook de buren vertellen we niets. Andersom gebeurt dat wel trouwens, dat de buren verhalen vertellen. Maar ook vervuilde mensen zijn gewone mensen. Ik begrijp dat ze liever niet willen dat een ander hun troep ziet.”

‘Waar is de bewoner nu gebleven?’

Het lijkt wel één en hetzelfde probleem: verzamelen en vervuilen. Zo ziet Kenneth het wel. “Iemand met verzameldrift noemen we een hoarder. Vaak word je dat als je niet schoonmaakt. Kijk, ik leg het even uit. Als je alle glazen en borden uit je kast gebruikt tot ze op zijn, maar niet afwast, neem je op een gegeven moment de bakjes van Albert Heijn mee. Alle vieze spullen vul je aan met nieuwe. Het wordt voller en voller. En hoe meer je hebt, hoe moeilijker het is om het schoon te houden. Als wij schoonmaken, steken we de bewoner vaak ook aan om er weer een gat in te zien. Soms gaan mensen halverwege de week zichzelf weer douchen. Dan grappen we waar de bewoner nu is gebleven.”

Eitjes van kakkerlakken

Dat Kenneth zich elke dag in vuile huizen bevindt, betekent niet dat hij niet zo om hygiëne geeft. Juíst niet. “Ik ben zelf erg schoon. Anders zou ik mijn vak niet goed hebben gekozen! Deze handschoenen zijn mijn bescherming. Met je handen maak je jezelf vies. Als de stank van een huis nog in mijn kleren zit, trek ik ze uit en doe ik ze in een tas op mijn balkon. Ik spring soms ook met kleren en al onder de douche – als het te erg is. Je kunt ook ongemerkt eitjes van kakkerlakken via je kleren meenemen naar je eigen huis. Of vlooien. Daar let ik dus wel goed op. Als we ergens vlooien of kakkerlakken zien, halen we er eerst een verdelger bij. Ik vind deze huizen net zo vies als iedereen. Het is een kwestie van vermannen.”

Tranen in de ogen

De salontafel in de kamer staat op zijn kant. Kenneth wijst naar de boor die op de grond ernaast ligt. “We maken niet alleen maar schoon. We maken een huis weer leefbaar. Dit tafeltje had een nieuwe schroef nodig. Dat fix je dan meteen even. En kijk, de bank is helemaal ingezakt. We gaan even bij de opslag van het Leger kijken of daar nog een nieuwe bank is voor meneer. Aan het einde van een schoonmaak, zijn mensen vaak hartstikke blij met ons. Zeker als je ook een beetje helpt met herinrichten. Onlangs gingen we bij een vrouw weg van wie we de banken wat hadden verzet en een spiegel hadden opgehangen. Ze had tranen in haar ogen. Dan ben ik niet alleen blij met het schone huis, maar vooral ook met het gezicht van de bewoner.”

Auteur: Willemijn de Jong (Strijdkreet nr. 10 2016)