Als vestigingsdirecteur van een gerechts-deurwaarderskantoor in Amsterdam en een incassokantoor in Almere, had Hans een goed salaris en een mooie baan. Hij was goed in zijn werk. Kantoren waar het niet goed mee ging – want ook een deurwaarderskantoor kan bijna failliet gaan – werden door hem weer uit het slop getrokken. Maar toch wrong het ergens bij Hans. 

“Mijn baas zei eens: ik ben blij dat ik een heilssoldaat in dienst heb. Maar voor mij voelde dat weleens als een tegenstelling. Het deurwaarderskantoor waar ik werkte in Almere stond destijds recht tegenover het korps. Dan kwam een man de sleutels van zijn huis inleveren om daarna rechtstreeks het Leger des Heils aan de overkant binnen te lopen. Je voert de orders van de rechter uit, maar bent toch een onderdeel van het leed in iemands leven.” 

Een deurwaarder is zo’n akelige man die op de stoep staat als je je rekeningen niet betaalt, toch?
“Gerechtsdeurwaarders zijn uitvoerders van de wet. Als de rechter uitspraak heeft gedaan dat een bedrijf of persoon moet betalen, zorgen wij ervoor dat dat - binnen de grenzen van de wet - gebeurt. Iedereen kan een incassokantoor beginnen, maar een gerechtsdeurwaarder wordt benoemd door de Kroon. Net als een notaris, zeg maar. Het is een mooi beroep, want je zorgt ervoor dat de rechtsstaat werkt. En ik probeerde ook altijd verder te kijken als we langskwamen. Waar kunnen mensen heen, hoe nu verder? Is er een andere oplossing?”

Waarom ging het dan toch wringen?
“Ik werd wat ouder, en mijn christen-zijn ging steeds meer in de weg staan van mijn werk. Een ontruiming van een woonwagenkamp of een vliegtuig dat niet mocht opstijgen – dat zijn dingen die je werk spannend maken. Ik was daarin best weleens sensatiebelust. Ik hield wel van een avontuur. Maar die ontruimingen als overwinning zien, schuurde met mijn geloof. Al kostte het me jaren om me dat te realiseren.” 

En toen dacht je: ik stop?
“Nee, zo ging het niet. Het vak is ook mooi. Maar ik was van binnen wel klaar om die stap te maken, toen ik werd geroepen om officier te worden. Ik ben binnen het Leger des Heils opgegroeid. Mijn vader moest letterlijk uit een samenkomst wegrennen omdat ik werd geboren. Dan krijg je regelmatig de vraag of je volledig in dienst van het Leger des Heils wilt werken voor God. Ik was alleen bezig met mijn carrière en materiële zaken. Tot iemand, die mijn vrouw Edith en ik heel hoog hadden zitten, me in mijn (dikke) auto op de schouder tikte en zei: ‘Is het niet eens tijd?’” 

Was dat je roeping?
“Ik heb geen stem uit de hemel gehoord, maar wel Gods stem door haar heen. Het kwam bij zowel Edith als mij helemaal binnen. Het is lastig om uit te leggen hoe dat voelt, een roeping. Dat is heel mysterieus. Maar we wisten dat het moest. En we waren er ook klaar voor. Tijdens onze zomervakantie hebben we elke ochtend samen langs het strand gelopen om erover te praten. Dat is nu een grapje binnen onze vriendenkring. Dat je nooit langs het strand moet gaan lopen, want dan word je officier.”

Waarom is dat zo’n ingrijpende keuze geweest?
“Als je officier, zeg maar dominee, wordt van het Leger, lever je heel veel vrijheid in. Je moet een aantal jaar studeren. Kijk, het Leger zorgt goed voor zijn mensen, maar van dit salaris kunnen we geen luxe vakanties meer betalen. Ik moest wel even slikken toen mijn leaseauto werd opgehaald, en we naar Lelystad verhuisden, naar een huis van het Leger. Je levensstandaard verandert enorm. Vrienden van mij wisten dat ik materialistisch was – ik hield echt wel van wat ik had. Collega’s vroegen me of ik al spijt had toen we moesten verhuizen. ‘Je bent knettergek’, zeiden ze. Maar ik heb geen traan gelaten om die spullen. Onze kinderen waren verwend, ik was bang dat zij tegen zouden zijn. Gelukkig stonden ze helemaal achter onze keuze.” 

En toen waren jullie officier. Hoe is dat?
“Wel even wennen natuurlijk. Maar in onze eerste week in Lelystad werd voor mij al bevestigd dat dit de goede keuze was. Een korpsgenoot kreeg een tia. Ik bezocht hem in het ziekenhuis. Kwam daar met mijn aktetas binnen, wist ik veel. Ik zei: ‘Kan ik je ergens een plezier mee doen?’ Hij wilde een rondje lopen in de zon. Dus we gingen met aktetas aan de rolstoel naar buiten. Na dat rondje zei hij: ‘Hier kan ik weer een week op teren.’ Toen ik de lift naar beneden nam in dat ziekenhuis, keek ik in de spiegel en dacht ik: wow, dit is zoveel belangrijker dan mijn grote salaris. Ik beteken werkelijk iets voor hem. En dat was maar een wandelingetje. Er kwamen gauw genoeg grote problemen waarin we mochten bijstaan. Gesprekken in een hopeloze situatie in een gezin. Ik realiseerde me dat het goed was dat Edith en ik al wat ouder zijn. We zijn onervaren officieren, maar hebben natuurlijk wel veel levenservaring. Dat komt zowel praktisch als pastoraal van pas.”

Wat vind je moeilijk aan officier zijn?
“Ik ben soms ongeduldig, dus ik moest wel leren luisteren. Ik was gewend om met professionals aan tafel te zitten, met knappe juristen. Nu zit ik aan tafel met goedbedoelende vrijwilligers. Mijn ervaring helpt om werkprocessen beter te maken, maar leren omgaan met kwetsbare mensen is een hele andere uitdaging. Een dame in ons korps werd ziek. Ze zei direct tegen me: ‘Ik ga dood. En jij moet mij daarbij helpen.’ Toen dacht ik wel: sta ik hier met mijn 53 jaar. Maar het is mooi om dit samen met Edith te doen. Sowieso werden we heel warm ontvangen in ons korps. De mensen snappen dat het voor ons ook even wennen is.” 

Denk je nog weleens terug aan je vorige baan?
“Nou, ik werkte net als officier toen er een man binnenkwam in de kledingwinkel met een dwangbevel. Hij had gehoord dat ik daar verstand van had, dus hij kwam me om advies vragen. Zag ik onderaan dat papier mijn eigen naam staan. Dat was wel schrikken. Ik heb hem maar gauw doorverwezen naar iemand anders. Verder weten mensen en andere kerken wel van mijn ervaring. Soms komt dat van pas, bijvoorbeeld in de schuldpreventie. Maar ik ben nu toch vooral korpsofficier. Voorheen als heilssoldaat kon ik nog weleens denken: nu even niet, dit is mijn grens.” 

“Maar nu staan we altijd voor mensen klaar. Ik voel de drang om mensen te helpen en niet meer weg te lopen. Jezus was de persoon die iedereen hielp. We willen zoals Hij zijn voor iedereen in Lelystad. En dat uniform helpt wel: ik voel me opeens betrapt als ik in een etalage van de juwelier sta te kijken, haha.”