DOMINEE + DIRECTEUR ZORGMANEGE

Christien van Harten runt al vijftien jaar, samen met haar man Hein, een zorgmanage in Deil. Daarvoor studeerde ze Sociaal Pedagodische Hulpverlening en werkte vervolgens voor de Raad van de Kinderbescherming. Eenmaal getrouwd stopte ze daarmee, omdat ze - toen ze zwanger was geraakt - niet met een dikke buik kinderen uit huis wilde plaatsen. In de hulpverlening ontmoette ze echter vaak mensen die met zingevingsvragen zaten en daarom besloot ze ook theologie te gaan studeren. Met die bagage heeft ze nu een zorgmanage, vangt ze - samen met haar man - al dertig jaar pleegkinderen op en staat ze 's zondags in een toga op de kansel. 

Haar man knipoogt bij binnenkomst in de drukke kantine van de manege: “Ik luister een uur per week naar haar.” Hij doelt op het moment dat ze de preek nog even met hem doorneemt. Soms staat ze met hooi in haar haar in de kerk. Voor Christine is het geen rare combinatie. “Ze vroegen me tijdens mijn predikantsopleiding wat mijn droom was als dominee. Ik vertelde over een woongemeenschap, waar iedereen altijd welkom zou zijn, waar dieren waren, waar het rook naar vers brood. Nou, dat is uitgekomen. Alleen is deze plek niet waar ik dominee ben. Dat ben ik op de preekstoel. Ik kom in een afgeragde bak naar de kerk rijden en soms ben ik bang dat ik naar paarden stink – maar dat zij dan maar zo.” 

Voor Christine werkt de combinatie van deze twee banen prima. “Ik sta op de preekstoel en vind daar de inspiratie voor het leven. Maar door het werken op deze manege, geef ik handen en voeten aan mijn geloof. Ik preek in gewone taal, omdat ik ook met mijn voeten in de klei sta. Dat is dichtbij de mensen. Uiteindelijk gaat het Evangelie over het gewone leven van elke dag. Als ik de mensen na de dienst zo’n ruwe handdruk geef, merk ik al gauw wie er ook 'boerenhanden' hebben. Wij begrijpen elkaar. We zijn mensen van de aarde, mijn geloof wordt levend door in de maatschappij te staan.”

Vanaf de preekstoel neemt ze vergevingsgezindheid mee in haar werk. “Of nederigheid. ‘Wie denk ik wel niet dat ik ben,’ denk ik soms als ik sta te preken. En ook omgekeerd: afgelopen zondag vertelde ik in een preek over een jongen die hier op de manege wordt opgevangen. Hij wil zo graag iets doen, maar heeft daar echt aansturing bij nodig. Ik word milder over hem door over hem te vertellen. En de mensen in de kerk herkennen zichzelf of iemand anders in zijn voorbeeld.” 

Van Christine hoeft niet elke dominee ook een ander beroep uit te oefenen. “Maar voor mij is het heel goed. Als ik alleen in een studeerkamer zou zitten of op de preekstoel zou staan, zou ik arrogant worden of geen contact meer maken met de mensen in de maatschappij. Ik wil een gewoon mens blijven. Jezus was timmerman, Paulus een tentenmaker. Bovendien: het ligt allemaal niet zo ver uit elkaar. Op de manege staat een pipowagen die als kapel is ingericht. Als mensen hier naar mijn geloof vragen, is daar ruimte voor en vertel ik er net zo graag over.”

DOMINEE + BROUWER

Op de vraag of ondernemerschap en preken geen rare combinatie is, antwoordt Martijn Horsman dat hij juist zoekt naar onlogische combinaties. Hij was een ongelukkige puber, zocht naar zingeving en koos daarom voor Theologie. Maar toen hij na zes jaar studeren predikant kon worden, kreeg hij het daar Spaans benauwd van. “Ik zag mezelf in een vergeten Fries dorpje op de kansel staan en catechisatie geven en dacht alleen maar: dat wil ik niet." 

"Ik werd eerst nog kerkelijk werker, een soort hulpje van een dominee en vertrok toen naar New York om churchplanting te leren van Tim Keller – een bekende Amerikaanse theoloog. Vol ideeën over kerkplanting (het starten van een nieuwe kerk) kwam ik terug in Nederland." 

Een vriend van me wilde de oude kerk met nieuwe kunst combineren en startte een Pop-Up kerk in Amsterdam. Ik wilde werelden bij elkaar brengen die niets met elkaar te maken hebben. Er zijn in Amsterdam veel jonge mensen die vooral vooruitdenken, liberaal zijn en breken met tradities. Ik wilde de seculiere stad en God bij elkaar brengen. Dat werd Stroom, een nieuwe kerk.” Martijn vond het in deze kerk voor het eerst leuk om dominee te zijn. Woorden als ‘mensen bij Jezus brengen’ passen niet bij hem, maar hij wil, zoals hij het zelf zegt: “mensen uitdagen om vrij te worden van alles wat bekneld en hen helpen zich met God te verbinden.”

Als ondernermerszoon wilde hij niet, net als zijn vader, 70 uur per week werken. Inmiddels werkt hij zeker zoveel als zijn vader deed. Een vriend van Martijn startte een protestants klooster in de Bijlmer. Het Kleiklooster is een kleine leefgemeenschap in Kleiburg, een flat in de Bijlmer. Vanuit de overtuiging dat het niet goed is voor een mens om er alleen voor te staan, wonen de 'kloosterlingen' van Kleiburg daar bij elkaar.   De deuren van het Kleiklooster staan altijd open. Het brouwen van kloosterbier werd een activiteit waarin Martijn een baan vond naast zijn werk als dominee. 
Hij dacht dat hij beide banen wel naast elkaar kon doen. Parttime. Maar dat werd pittig. “Een dominee moet beschikbaar zijn voor zijn gemeenschap. Dag en nacht. Ik heb uiteindelijk – na acht prachtige jaren - besloten om te stoppen met dominee zijn.”

Voor het eerst sinds jaren is Martijn weer een ‘gewone gelovige’. Ziet hij overeenkomsten tussen zijn huidige werk en zijn gemeente? “Als je dominee bent, denk je altijd na over zingeving. Elke dag. Alles wat ik meemaakte was input voor mijn preken. Wat dat betreft vind ik mijn werk als ondernemer wel een beetje oppervlakkig. Maar aan de andere kant: ik bouw weer iets op. Een bedrijf of een kerk runnen vergt trouwens ook wel wat dezelfde eigenschappen: je moet goed met mensen om kunnen gaan, leidinggeven, beslissingen durven nemen én op een goede manier het gevecht aan durven gaan. Als ik nu een boze mail krijg van een zakenrelatie, weet ik dat ik hem moet bellen in plaats van terugmailen. Dat heb ik geleerd in mijn kerk.”

DOMINEE + ADVOCAAT

Jan de Visser werd met een omweg advocaat. Zijn lange CV leidt hem vanuit militaire dienst via onderwijzer in het basisonderwijs en leraar Nederlands naar een doctoraal in de Letterkunde. In 1991 besluit hij theologie te gaan studeren aan de Universiteit van Utrecht en volgt hierna een predikantenopleiding. Dan wordt hij dominee. Terwijl hij dominee is, begint hij een cursus over Rechten, wat uitloopt op een bul in de Rechten in 2003. Hij staat dan als dominee in de gemeente Maassluis, tot er aan hem wordt gevraagd of hij wethouder wil worden voor de CDA. Wat is nu eigenlijk zijn roeping? 

“Het is misschien wat raar verwoord, maar voor mij is ‘practise what you preach’ een belangrijk uitgangspunt. Ik wilde dingen veranderen in mijn woonplaats. Daar had ik jaren over kunnen preken, maar ik moest het ook dóen. Is er een verschil tussen een kerkelijke en maatschappelijke taak? Misschien niet. Ik besloot om wethouder te worden. Daar snapte de pastoor uit mijn gemeente niets van. Als je dominee bent, ben je Gods vertegenwoordiger. Hoe kan dat nu naast de preekstoel? Het haalde de landelijke media: een dominee die wethouder wordt. Toen ik een aantal jaren later stopte met het werk voor de gemeente, belde een vrouw uit Den Haag die me vroeg: ‘Je hebt jaren geleden mijn zoontje gedoopt. Wil je een maatschap met mij beginnen in Den Haag?’ Dat is inmiddels tien jaar geleden. Die vrouw was Lucardi van Lucardi & Visser Advocaten.” 

In die tien jaar als advocaat is Jan het preken niet verleerd. Hij gaat regelmatig voor in kerkdiensten. Bijvoorbeeld in de Laurenskerk in Rotterdam. “Dat is een walhalla voor me hoor. Zo’n prachtige kerk, een prachtig orgel, steengoede organist.” Waar voor Jan de de overeenkomst te vinden is tussen het recht en de theologie zit 'm volgens hem in het woord: Godsgeleerdheid en rechtsgeleerdheid eindigen beiden op ‘geleerdheid’. Dat staat voor een bepaalde wijsheid in het omgaan met wat je meemaakt. De retorica – de kunst van het spreken – is het dwarsverband tussen mijn liefde voor de taal, theologie en het recht.” Als advocaat helpt hij ‘de gewone man’. “De mensen die minder dan modaal verdienen. Ik ben hun steun en toeverlaat in juridisch lastige kwesties. Ik ben hier meer pastor dan in de pastorie. Als mensen besluiten om te gaan scheiden, leggen ze hun hele lief en leed hier op de tafel. Dat wekt een vertrouwensband. Mensen moeten alles kunnen vertellen. Het gaat soms over dingen waar je je beste vriend niet naar vraagt – je inkomen, je seksleven. Maar ik ben geen therapeut. Ik help mensen juridisch, feitelijk.”

Zijn dominee-zijn werkt volgens hem door in de rechtszaal. “Ik ben niet geheimzinnig over mijn geloof, maar ik adviseer vanuit de Nederlandse wet. Dat is geen groot verschil, onze wetten zijn gebaseerd op de Bijbelse normen en waarden. Zo komt het overeenkomstrecht voort uit Jezus' uitspraak: Laat uw ja ja zijn en uw nee nee. In de rechtszaal zal ik overigens niet gauw een Bijbeltekst citeren, of het moet heel passend zijn.” 

Maar het recht gaat ook mee de preekstoel op: “Er zitten veel juridische verwijzingen in mijn preken. Het Joodse recht vind ik heel interessant. Als ik een gelijkenis van Jezus behandel over arbeiders in de wijngaard, pluis ik helemaal uit hoe de arbeidswetten toentertijd waren.” Als Jan zijn toga aantrekt voor de foto, legt hij nog even uit wat het verschil is tussen zijn preek-toga en de rechtszaal-toga: in de kerk draagt hij een fluwelen voorpand en manchetten. Het befje bestaat uit twee enkele stroken. De toga die nu aangaat, heeft vouwtjes in de bef. “Maar als ik hierin de preekstoel bestijg, denk ik niet dat veel mensen dat zullen merken.”